hoofdpagina
reisfilms
Brugge
salsa
tango
tuinen
gastenboek

Jean-Pierre Van Loocke

stelt voor

Geschiedenis van de Argentijnse tango

 
 
  
 
 

 

VOORWOORD

 
Hoofdstuk 4  Het gouden tijdperk
 

1492-1880:
ONTSTAANSGESCHIEDENIS ARGENTINIË EN URUGUAY

1880-1917:
VANAF DE GEBOORTE VAN DE TANGO TOT AAN DE GUARDIA VIEJA

1917-1935:
TANGO UP AND DOWN

1935-1955:
HET GOUDEN TIJDPERK VAN DE TANGO

1955-1990:
HET DONKERE TIJDPERK

1990 en verder:
NEO-TANGO

TANGO ALS DANS

SLOTBESCHOUWING

BIBLIOGRAFIE

 
 

Gastenboek: graag jouw mening over dit werkstuk!

 

 

3. MUZIEK VAN HOOG NIVEAU

Orkesten

Orquestas típicas en mammoetorkesten

Meer en meer mensen wilden tango dansen en de zalen werden alsmaar groter. Om te voldoen aan de acoustiek moesten de orkesten voortdurend groter gemaakt worden. In die tijd hadden ze nog niet de techniek om voor goeie geluidsversterking te zorgen, en dus zat er niets anders op dan de orkesten uit te breiden met meer muziekinstrumenten. Het aantal bandoneons en violen werd op zijn minst verdubbeld, soms tot 5, en er werden ook cello’s en altviolen toegevoegd. Men sprak nu niet meer van sextetos típicos, maar van orquestas típicas. Sommige orkesten groeiden uit tot ensembles met 100 musici.

In harmonie met jazz

Jazz was bezig aan een triomftocht door de VS en bereikte ook Buenos Aires. Tijdens dansavonden werd vaak naar een compromis gezocht. Na 3 kwartier spelen, wisselden orkesten elkaar af. Enkele veelzijdige musici speelden zowel tango als jazz. Roberto Alvarez was er een van. Hij speelde zowel  bandoneon als trombone.
 

Fan orkesten

Tussen de orkesten heerste een gezonde concurrentie: iedereen probeerde te strijden voor de gunst van het publiek, een eigen stijl te ontwikkelen en zo kwalitatief mogelijk te zijn.

Zo ontstonden er fanclubs die hun orkest achterna reisden. De fans droegen zelfs shirts met de naam van hun orkest op.

 

Gearrangeerde muziek

De extra instrumenten zorgden niet alleen voor een verbetering van de geluidssterkte, maar boden ook heel wat nieuwe mogelijkheden voor het maken van andere arrangementen. Dat kwam goed uit, want Tekstvak:  vele orkesten speelden vaak dezelfde liedjes. Opdat ze niet identiek zouden klinken, werden nieuwe bewerkingen of arrangementen bedacht. Een toename van het aantal muziekinstrumenten hielp daarbij enorm. De omzetting van nieuwe stijlen en muzikale ideeën, kwam de kwaliteit van de tango’s zeer ten goede.

Meestal schreven de orkestleiders en de orkestleden zelf de arrangementen, maar soms werden er ook professionele arrangeurs aangesteld, zoals bijvoorbeeld Argentino Galván. Die legde zich zodanig toe op dit werk dat hij al gauw voor verschillende orquestas típicas arrangementen mocht gaan uitwerken.

Galván schreef zo een nieuwe vorm van vioolspel op het einde van de jaren 1930 voor het orkest van Miguel Caló. Tot dan toe speelden de violisten naar het voorbeeld van Julio De Caro en Elvino Vardaro, waarbij ze de melodieën ‘zongen’. Galván werkte toen een extreem moeilijke partij uit voor Raúl Kaplún, de eerste violist. Het was de eerste keer dat de viool zo virtuoos werd.

Tot de orkestleiders die vermaard werden om hun ingewikkelde arrangementen behoren Troilo, Pugliese en Di Sarli.

 

Belangrijke orkestleiders

Enkele belangrijke orkestleiders uit het gouden tijdperk kwamen eerder al aan bod in dit werkstuk. Zo bijvoorbeeld Juan D’Arienzo. We spitsen ons hier toe op orkestleiders die nog niet aan bod kwamen:

Carlos di Sarli ( 7 januari 1903 - 12 januari 1960 )

Carlos di Sarli was een van de grootste componisten uit de jaren 1940. Hij werd “El señor del tango” genoemd en werd vooral geroemd omwille van zijn heel dansbare muziek. Vele leraars gebruiken zijn muziek voor het geven van dansles, omdat het een perfecte keuze is voor beginners die vaak moeite hebben om het ritme van de tango te horen.
Tekstvak:
Di Sarli was niet alleen een grote orkestleider, maar ook een fenomeen op de piano. Hij pakte graag uit met contrasten tussen zachte gebonden en gepunteerde korte noten, tussen extreem harde en extreem zachte passages.

Zijn vroege arrangementen waren snel. In de jaren vijftig ging hij over op een langzamer tempo. Hij was een perfectionist en als een tiran om voor te werken.

Biografie

Cayetano di Sarli Russomano werd geboren in Bahía Blanca, een kuststad met 300.000 inwoners ten zuiden van Buenos Aires. Er woonden vele Franse immigranten in het stadje. Di Sarli studeerde er piano aan het conservatorium Williams, maar zou later dirigent worden.

Hij droeg altijd een zonnebril om een litteken aan zijn oog te verbergen. Het was een schampschot dat hij had opgelopen, toen zijn pa hem op 13-jarige leeftijd per ongeluk met een kogel raakte.

Zijn eerste succes boekte hij op 13-jarige leeftijd, toen hij in een muzikale komedie piano mocht spelen en met het toneelgezelschap het hele land rondtoerde. Toen hij 16 jaar was, mocht hij in La Pampa als solist piano spelen in een cinema. Hij componeerde zijn eerste tango “Meditación” en richtte zijn eerste orkestje op en trad ermee op in Cafe Express en Cafe Moka in Bahía Blanca. Op 17-jarige leeftijd trok hij naar Buenos Aires om er te spelen in kleine kroegen. Later ging hij spelen in het tango orkest van Anselmo Arieta en Osvaldo Fresedo. In 1925 of 1927 richtte hij zijn eigen sextet op. In 1929 nam hij zijn eerste plaat op.

Hij was een romanticus, wat goed te horen is in “Milonguero viejo” (oude danser) en “Bahia Blanca” en A la gran muñeca (voor de grote pop) – allemaal instrumentale liedjes.

Zijn hoogtepunt bereikte hij toen hij in 1939 zijn eigen orkest vormde en wanneer zanger Roberto Rufino zich bij hem aansloot.

Beginnende dansers zijn verzot op di Sarli omwille van zijn zeer dansbare muziek. Ook meer gevorderden vinden het krachtige ritme inspirerend. Het laat hen boven zichzelf uitstijgen. Zijn muziek wordt vaak gedanst op tangosalons. De liedjes gelijken nogal op elkaar, maar ze lenen zich zo goed tot dansen dat ze vaak worden gedraaid.

Oeuvre

De meeste stukken die hij componeerde waren instrumentaal:

1.      A la gran muñeca

2.      Bahía blanca

3.      Bar exposición

4.      Champaigne tango

5.      Didí

6.      El caburé

7.      El recodo

8.      La cachila

9.      Mi refugio

10.  Racing club

11.  Susheta

A la gran muneca (lunfardowoord voor gokken op paarden, wat een traditie was in Buenos Aires) en Bahía Blanca hebben iets imponerends. Ze beginnen groots en worden daarna liefelijk zacht, doordat hij dan de violen meer laat uitkomen.

Gezongen stukken:

1.      Que solo estoy (met Alberto Podestá)

2.      Va a cantar un ruiseñor (idem)

3.      Vamos (idem)

4.      Loco lindo (gezongen door Corado Nale Roxlo)

5.      Otra vez carnaval (met zanger Reynaldo Pignatoro)

6.      Chiquetera ( zanger: Guillermo Nacarelli)

7.      Verdemar (groene zee) (gezongen door Jose Maria Contursi) (1943)

8.      Al pan pan y al vino vino (= de dingen bij naam noemen) (gezongen door Rodolfo Sciamerella)

9.      Cayorda (gezongen door Luis Vaccarezza)

10.  Asi era mi novia

11.  Nido gaucho (1942)

12.  Bien frappe (1941)

13.  Corazon (1939)

14.  Whisky (1951)

15.  Porteño y bailarin

16.  La capilla blanca

17.  En un beso la vida (het leven in een kus)

18.  Juan porteño (met als zanger Hector Marco)

Hij stopte met dirigeren in 1959 en overleed kort nadien, op 12 januari 19 60 aan kanker.

 

Aníbal "Pichuco" Troilo ( 11 juli 1914 - 18 mei 1975 )

Tekstvak:  Aníbal Carmelo Troilo werd geboren in de wijk Abasto in Buenos Aires. Zijn vader overleed toen hij 8 jaar was en omdat hij zo aangetrokken was door de bandoneon (zoals hij zelf zei, evenveel als door het voetbal), zaagde hij zijn ma’s oren af om er een te krijgen. Uiteindelijk kreeg hij er een toen hij 10 jaar was. Hij liet heel snel van zich horen. Vanaf 12-jarige leeftijd mocht hij al regelmatig optreden in de cinema. Toen hij 16 jaar was trad hij toe tot het orkest Vardaro-Pugliese (o.a. met Osvaldo Pugliese, Alfredo Gobbi, Elvino Vardaro) en 2 jaar later mocht hij meespelen in het groot orkest van Julio De Caro (o.a. met Pedro Laurenz, Francisco en Julio De Caro). Zijn bijnaam Pichuco had hij al op jonge leeftijd van zijn ouders gekregen.

In 1937 startte hij zijn eigen orkest op: het octet de Guardia del Cuarenta. Daarbij gaf hij meer speelruimte dan gebruikelijk was aan de zang. Tot dan toe was de muziek in de orquestas tipicas meestal instrumentaal. Zangers waren er meestal niet bij, tenzij dan in theaterstukken waar ze soms het refrein mochten zingen, maar nooit het hele lied. Anibal Troilo brak met deze traditie en nam de zanger Fiorentino aan en beschouwde hem als evenwaardig als muzikanten. Het orkest speelde wel nog veel puur instrumentale stukken, maar als Fiorentino zong, trad het orkest naar de achtergrond en begeleidde hem. Na een solo van Fiorentino, herhaalde Troilo met de bandoneon de melodie van de zanger, zodat er een perfect samenspel onstond tussen de menselijke en de instrumentale stem. Troilo nam dan nog een 2de zanger in dienst en snel verwierven zangduo’s een vaste plek in de orquestas típicas. In de jaren 1940 werden de gezongen tango’s zo populair dat de mensen de orkesten identificeerden met de zangers.

50 van de 60 stukken die Troilo op plaat vastlegde, waren gezongen tango’s. Maar dat betekent niet dat de muziekinstrumenten niet meer zo belangrijk waren. Dankzij de samenwerking met Galván en andere uitstekende arrangeurs behaalde het orkest van Troilo een ongekende muzikale expressiviteit en werd het enorm populair.

Als orkestleider werkte hij samen met knallers uit de tangowereld: Edmundo Rivero en Roberto Goyeneche als zangers, en Piazzolla die als jongeman arrangementen voor hem mocht schrijven.

Hij groeide op in een arme wijk en bleef heel zijn leven een man van het volk. Omgaan met mensen vond hij leuk. Na elk optreden wou hij altijd met al zijn muzikanten gaan eten, soms om 5 uur ’s morgens. En dan speelde hij altijd nog wat.

Zijn bekendste werken zijn Quejas de bandoneón en Maria, en ook heel bijzonder is Responso. Hij componeerde het als hommage voor de overleden Homero Manzi. Het was een briljante klaagzang. Hij nam het op plaat op, maar speelde het bijna nooit, omdat hij er te veel van afzag.


Tekstvak:

Zijn muziek was heel geliefd bij dansliefhebbers in het Gouden Tijdperk van de tango, wat vooral te danken was aan zijn warme persoonlijkheid en zijn grote passie voor tango. Ook nadien, tot in 1975 had hij grote faam.

Hij overleed in 1975 kort nadat hij een optreden had gegeven voor de Copes show.

 

Osvaldo Pugliese ( 12 december 1906 - 25 juli 1995 )

Tekstvak:  Osvaldo Pugliese speelde piano en was ook orkestleider. Hij geldt als de wegbereider van de moderne tango.

Hij werd geboren in Buenos Aires als zoon van een textielarbeidster en een schoenmaker. Zijn vader Adolfo speelde fluit en verdiende zo wat bij op bruiloften, danssalons, enz. Zijn broers speelden viool. Osvaldo begon ook met vioollessen, maar niet voor lang. Al snel schakelde hij over op piano. Vanaf 15-jarige leeftijd begon hij er geld mee te verdienen, eerst in cafés, later ook als begeleider van stomme films.

Toen hij 19 jaar was, componeerde hij zijn eerste hit Recuerdo, een lied dat vandaag de dag nog steeds heel populair is.

Het duurde een hele poos voor hij zijn eigen orkest oprichtte. In 1939 was het dan toch zover. Zijn Orquesta Típica was een coöperatieve gemeenschap. Pugliese was de spil en de leden van het orkest hadden elk hun eigen inbreng. Het werd ook wel het orkest van de componisten genoemd, omdat er zo veel mensen hun eigen composities, arrangementen en typische vertolkingen inlegden. Het orkest bleef bestaan tot aan zijn dood in 1955, weliswaar in verschillende bezettingen, maar steeds met dezelfde herkenbare Pu Tekstvak:  gliese-stijl.

Die stijl werd het best geïllustreerd in La yumba. De naam was een uitvindsel van hem. Het moest de klank nabootsen van het ritme zoals hij het voelde en speelde, en waarvoor hij de naam Yumba bedacht. Het kwam tot stand door toedoen van bassist Aniceto Rossi. Ze kwamen op het idee om de 1ste en 3de tel van de maat heel duidelijk te accentueren. Ook de timing werd belangrijk. De eerste tel werd voorafgegaan door een arrastre, waardoor je precies het gevoel kreeg dat de tel naar voren werd getrokken. De 3de tel werd precies op de tijd gespeeld. De 2de en 4de tel werden minder belangrijk en soms heel zacht gespeeld dat je hem bijna niet hoorde. Rossi en Pugliese goochelden dus een beetje met de tijd binnen een maat. Hierdoor ontstond er een sterke drive, waar dansers zo van houden.

Dit ritme liet hij dragen door verschillende instrumenten. Opvallend was de felle en soms percussie-achtige stijl van spelen, met toegevoegde klanken van kloppen en slagen, bonken en ruisen. Er zijn vele bassen en akkoorden in de zware linkerhand op de piano. Tango dus op 2 noten, hard en bonkend, stampend, voelbaar. Melodie en klank kennen regelmatig matte, soms valse (dissonante) scherpe tonen, die vaak kaal zonder werkelijke klank of kleur worden gespeeld. Het is ruggegraat muziek met gekwelde en gepijnigde hakkende, dan weer smekende violen. En met een huilende en klagende bandoneon. Soms toch ook even opgefleurd met liefelijke, kwetsbare en fijngevoelige, virtuoze soli of loopjes op bandoneon of viool. Pugliese speelde zelden muziek om te behagen, maar was wel de absolute maestro van de emotie.

Het feit dat zo veel musici hun stempel konden drukken op het geluid van het orkest is typerend voor Pugliese. Hij was een overtuigd communist en richtte de eerste vakbond voor musici op in Argentinië. Zijn overtuigingen deden hem in het dictatoriaal Argentinië vaak in de gevangenis belanden. Veelzeggend zijn de verhalen over zijn orkest, dat in die tijden zonder hem gewoon doorspeelde. Een rode anjer op de toetsen van de piano getuigde van de diepe affectie voor Pugliese en het protest tegen de gevangenneming van hun leider. Tekenend voor Pugliese is dat hij ook een tango schreef voor Fidel Castro: Milonga para Fidel.

Zijn muziek heeft een voornaam, dramatisch geluid. Ze muziek wordt vaak gebruikt voor tangoshows. Zijn tango’s zijn niet zo makkelijk om op te dansen en worden op tangosalons vaak pas op het einde van de avond gespeeld, wanneer de minder ervaren dansers al naar huis zijn.

 

Zangers breken door

Van estribillistas naar volwaardige zangers

In de jaren 1920 gebeurde het al eens dat er gezongen werd in een tango, maar veel ruimte voor zang was er niet. De zanger was een estribillista, iemand die maar één fragment van het lied zong, vaak het refrein (of estribillo).

We brachten het al aan bij Troilo, stilaan werd de zanger meer gewaardeerd in het orkest. Orkestleider en bandoneonist Anibal Troilo liet als de eerste orkestleider de zanger een heel lied zingen. Voordien, tot rond 1940, zongen zangers maar een deel van het lied. Meestal zongen ze het middendeel of het B-deel in een tango die de vorm ABA had.

Francisco Canaro trok eerder al aan de kar. In 1925 brak hij met de traditie dat zangers alleen maar begeleid werden door gitaristen, zoals gebruikelijk in de landelijke folklore.

Het duurde niet lang voordat Troilo nog een tweede zanger toevoegde aan zijn orkest. In de jaren 1940 werden de zangers zodanig populair dat vele orkesten in hoofdzaak geïdentificeerd werden met hun zangers.

De stemmen van de tango

Ignacio Corsini ( 13 februari 1891 - 26 juli 1967 )

Tekstvak:  Hij werd de prins van het lied van Buenos Aires genoemd. Niemand weet of hij in Argentinië of Italië geboren werd, maar hij groeide op in de buurt van Buenos Aires. Hij legde zich net zoals Gardel in het begin vooral toe op de landelijke folklore en zong de liederen van de pampa. Hij trad op in gauchodrama’s bij het rondreizend theater van Corsini. In 1922 zong hij zijn eerste tango: Patotero sentimental. Hij was een tenor, wat goed paste bij het melancholieke karakter van zijn vertolkingen. Hij had zo veel succes met het zingen dat hij zijn werk als toneelspeler (6 jaar) kon stopzetten en zich volledig kon toeleggen op het zingen. Hij zong meestal over politieke en nationalistische thema’s.

 

Agustín Magaldi ( 1 december 1898 - 8 september 1938 )
Tekstvak:

Agustín Magaldi werd geboren in Casilda en begon zijn carrière als zanger bij een klein theatergezelschap dat met sentimentele toneelstukken en kluchten door het land trok. Later zong hij vooral tango’s die hij zelf geschreven had, in een duo met Pedro Noda. zijn thema’s waren voor een deel zeer exotisch: ze gingen over Moskou in de sneeuw en Siberië. Ze spraken niet aan en hadden daardoor niet zo veel succes. Zijn grote voorbeeld was Rosita Quiroga, de zangeres die in 1924 die met hem zijn eerste grammofoonplaat opnam.

 

Julio Sosa ( 2 februari 1926 - 26 november 1964 )

Tekstvak:      Julio Sosa, bijgenaamd “El varón del tango”, werd geboren in Las Piedras in Uruguay, maar verhuisde in 1949 naar Buenos Aires, waar hij optrad in cafeetjes.
Hij werd al snel ontdekt door de beroemde musici Enrique Francini en Armando Pontier, die hem in hun orkest opnamen. Hij had net zoals Edmundo Rivero een lage, zware baritonstem en zong tangoteksten uit de jaren 1920, over mannen die door hun vrouw verlaten waren of onder leed gebukt gingen, maar niet klaagden.

Hij kwam op dramatische wijze om het leven nadat hij een optreden had gegeven tijdens een radioshow op 24 november 19 64 in de grote studio van Radio LR4 en zong “Porque canto así (waarom ik zo zing). Het publiek vroeg om nog eens hetzelfde te zingen, maar hij zong een ander lied als toegift: “La gayola”, dat eindigt met de woorden “Zodat er bloemen zullen zijn, als ik in mijn kist lig”. In het naar huis rijden botste hij met zijn auto tegen een verkeerslicht en overleed. De rouwstoet was kilometers lang, net zoals de stoet die Gardel naar zijn laatste rustplaats leidde. Met zijn dood kwam er een hoogtepunt en een voorlopig einde aan de ontwikkeling van de “tango canción” die in 1917 met Gardel was begonnen.

 

Juan Carlos Pérez ( 5 juni 1907 - 30 oktober 1990 )

Tekstvak:  Juan Carlos Pérez de la Riestra (“Charlo”) werd de eerste en ook de beroemdste estribillista.

Hij werd geboren in 1907 in La Pampa en leerde als kind piano, gitaar en accordeon spelen. Vanaf 1924 werkte hij als pianist en componist voor een van de allereerste radiozenders in Argentinië: Radio Cultura. Vanaf 1925 trad hij ook op in het theater en vertolkte zijn eerste tangocompositie Rataplán in de gelijknamige sainete.
In tegenstelling tot andere tangozangers, trad hij niet op als held uit de volkswijken met een brede riem en dolk, maar wel als de elegante salonheld, met stijve boord en maatpak.Vervolgens trok hij voor lange tijd op tournee in het buitenland en speelde in films. Toen hij terugkeerde naar Buenos Aires, trad hij er op als orkestzanger in een orquesta tipica. Dde tijd van de estribillistas was dan al voorbij.

 

Francisco Fiorentino ( 23 september 1905 - 11 september 1995 )

Francisco Fiorentino kwam op de wereld in San Telmo in Buenos Aires. Aanvan Tekstvak:  kelijk trad hij op als bandoneonspeler, maar doordat hij beter kon zingen, begon hij te zingen als estribillista (refreinzanger) in verschillende orkesten, waaronder dat van Juan Carlos Cobían, Francisco Canaro, Juan D’ARienzo en Pedro Maffia. Vanaf 1937 begon hij te zingen bij Aníbal Troilo die hem meer speelruimtegaf dan tot dan gebruikelijk. Hij mocht voortaan het hele lied zingen en werd zo bemiddelaar tussen orkest en publiek. Wanneer hij zong trad het orkest naar de achtergrond en begeleidde het hem.

 

Edmundo Rivero ( 12 december 1911 - 23 december 1996 )

Tekstvak:  Edmundo Rivero werd geboren in Valentín Alsina, een wijk aan de zuidelijke rand van Buenos Aires. In zijn jonge jaren trok hij langs eenvoudige lokalen waar payadas werden opgevoerd en zong creoolse liedjes.

In 1935 werd hij ontdekt door José De Caro, die een orkest had, en 2 jaar later nam zijn bekendere broer Julio hem in dienst. Edmundo Rivero viel op toen hij zong. Hij had een basstem, iets compleet nieuws in de wereld van de tango. Toen hij zong, stopten de mensen met dansen om naar hem te luisteren. Maar de tijd was nog niet rijp voor baszangers. Julio De Caro kon hem dan ook niet lang in dienst houden. Tangozangers werde nu eenmaal verondersteld tenor of alttenor te zijn. Hij kreeg daardoor maar weinig gelegenheid om op te treden en moest als gitarist en filmspeler zijn brood zien te verdienen.

In 1944 werd hij herontdekt door orkestleider Horacio Salgán. Hij had toen al zijn zangcarrière opgegeven. Ze traden samen op, maar een platencontract kreeg hij niet. De artistieke leiders van Victor hadden hun veto uitgesproken, omdat ze vonden dat een baszanger niet paste bij tango.

Uiteindelijk werd Rivero toch aanvaard. Anibal Troilo vond Rivero zo talentrijk dat hij hem voor zijn orkest liet zingen en hem door het grote publiek liet aanvaarden. Beroemd zijn zijn vertolkingen van

La última curda en Sur. Piazzolla wist hem ook sterk te appreciëren. Hij vond hem en Goyeneche de 2 grootste tangozangers uit zijn tijd.

 

Alberto Castillo ( 7 december 1914 - 23 juli 2002 )

Alberto werd geboren als Alberto Salvador De Luca. Zijn ouders waren van Italiaan Tekstvak:  se afkomst en zetten hem op de wereld in Mataderos, een wijk in Buenos Aires. Alberto was een speciale jongen. Hij begon te zingen toen hij geneeskunde studeerde (gynecoloog). Hij ging altijd heel excentriek gekleed: met een brede broek, grote das en grote zakdoek in zijn jas. Hij leek wel de voorloper van Elvis, Michael Jackson of Mick Jagger. Hij sympathiseerde met de arbeiders en kon soms agressief overkomen tegen rijke mensen. Toen Perón van de macht gestoten werd, verloor hij snel aan populariteit.

 

Roberto Goyeneche ( 29 januari 1926 - 27 augustus 1994 )

Roberto Goyeneche werd geboren in Urdinarrain, Entre Ríos. Hoewel zijn ouders van Baskische afkomst waren, werd hij “El Polaco” (de Pool) genoemd. Dit kwam doordat hij blond haar had en mager Tekstvak:  was, zoals vele Poolse immigranten in die tijd.

Hij werkte lange tijd als vrachtrijder en taxichauffeur, omdat hij van het zingen alleen niet kon rondkomen. Horacio Salgán ontdekte hem in 1952, maar in 1956 plukte Aníbal Troilo hem weg. Vanaf 1964 begon hij aan een solocarrière, maar stemde wel nog toe om voor Astor Piazzolla de Balada para un loco te zingen.

Doordat hij veel whisky dronk en vaak cocaïne gebruikte, werd zijn stem wat rasperig. Het maakte hem beroemd en ook omstreden. Er waren er die zeiden dat hij zijn tango’s niet zong, maar kraste en schreeuwde. Hij zong vaak liedjes van vroeger en deed dat op zo’n manier alsof elk woord dat hij zong belangrijk was.

 

Zangeressen

De zangeressen waren dun bezaaid. Dat kwam ten dele doordat ze in het lunfardo geschreven waren en omdat er maar heel weinig vrouwen waren die muziekles volgden. De enigen die wel in aanmerking kwamen waren toneelspeelsters. Voor de toneelstukken (of sainetes porteños) waren de liedjes niet te gecompliceerd en konden ongeoefende vrouwen dat wel zingen.

Rosita Quiroga ( 16 januari 1896 - 16 oktober 1984 )

Tekstvak:  Rosita Quiroga was een van de eerste vrouwen die in de mannenwereld van de tango een plaats veroverde. Als afstammelinge van payadores zong ze ook lunfardowoorden die ze had gehoord tijdens haar jeugd in La Boca. In 1923 nam ze haar eerste plaat op: Siempre criolla. Haar eerste tango werd La tipa, een lied geschreven door Enrique Pedro Maroni, waarbij ze begeleid werd op gitaar.

 

Azucena Maizani ( 17 november 1902 - 15 januari 1970 )

Tekstvak:  Haar carrière was zoals het sprookje van Assepoester. Ze wilden al van jongs af aan zangeres worden, maar werd naaister, zoals zovele vrouwen van haar generatie.

Op een avond trok ze haar stoute schoenen aan en bood ze zich aan bij Francisco Canaro. Die gaf haar een bijrol in het Teatro Apolo. Op een verjaardagsfeestje hoorde Enrique Delfino haar en hij was zo onder de indruk dat hij haar een contract gaf voor het Teatro Nacional. Hij componeerde dan voor haar “Padre nuestro”, waarmee ze in 1923 doorbrak. Het maakte haar beroemd. Ze schreef ook zelf liedjes en werd liefkozend Ñata Gaucho genoemd: Neusje van het Platteland.

 

Mercedes Simone ( 21 april 1904 - 20 oktober 1990 )
Tekstvak:

Ook zij werkte als naaister in een atelier. Haar verloofde was gitarist en zanger. Toen die op tournee was en ziek werd, viel ze voor hem in. Het was geen probleem, want ze kende al de liedjes. Ze werd zeer populair en gaf haar werk op als naaister om zangeres en filmactrice te worden. Ze was mezzosopraan.

 

Pepita Avellaneda

Tekstvak:  Ze was de eerste vrouw die tango’s in het openbaar zong. Om aanvaard te worden droeg ze altijd mannenkleren en creëerde zo het protoype van de “vlotte vent”, waarin veel zangeressen zich op het podium zouden gaan veranderen.

De teksten veranderden er niet door. Meestal bleef het gaan over mannen die hun beklag deden, zoals bijvoorbeeld in Mi noche triste: man treurt over een vrouw die hem heeft verlaten (Slet, je hebt me verlaten). Het was raar toen dit gezongen werd door een vrouw (Manolita Poli), maar niemand stoorde er zich aan dat het een vrouw was.

 

Tita Merello ( 11 oktober 1904 - 24 december 2002 )
Tekstvak:

Tita Merello kwam van een heel arme familie in een Italiaanse wijk. Ze had veel sex appeal en speelde vaak in films. Ze stak veel humor in haar muziek en ze dreef graag de spot met het leven. Tijdens de regering van Perón was ze heel populair. Nadien verwaterde haar succes.

 

Libertad Lamarque ( 24 november 1908 - 12 december 2000 )

Tekstvak:  Libertad Lamarque werd geboren in Mexico en trok in 1926 van het platteland naar Buenos Aires. Ze trad op als vrouw (niet als een vlotte kerel zoals Azucena Maizena) en schiep een nieuw vrouwentype: elegant en vrouwelijk. De groeiende middenklasse kon zich goed met haar  identificeren. Ze had een prachtige sopraanstem.

Ze vertikte het te zingen over de zonden van de alleenstaande vrouwen uit de jaren 1910-1920.
Maar ze zong over de frustraties, vernederingen die getrouwde vrouwen ondergingen. De vrouw aan de haard die vele kinderen had, die het slachtoffer was van overspel, misbruikt werd en economisch onzeker was. Ze won ermee veel sympathie bij de vrouwen die naar de radio luisterden. En ze zong ook over vrouwen die gingen gaan werken en economisch onafhankelijk werden. Vele mannen konden dat niet accepteren in de jaren 1930 tot de jaren 1950.  In 1931 won ze een zangwedstrijd en werd uitverkozen tot “koningin van de tango”. Ze speelde in 1934 in de film “Tango” en werd een veelgevraagde filmster.

Toen Perón aan de macht kwam, verliet ze het land en trok naar Mexico. Waarom? Omdat ze het aan de stok had gekregen met Eva Perón of omdat de Mexicaanse filmindustrie zo aantrekkelijk was voor haar.

 

Nelly Omar ( 10 december 1911 - nu)

Nellly Omar was een vurige aanhangster van het Perónisme en droeg een van haar tangos op aan Evita Perón. Ze had een innige relatie met de dichter Homero Manzi vanaf 1944 tot aan zijn dood in 1951. Manzi wijdde verschillende tango’s aan haar, zoals Malena, Solamente ella en Ninguna.

Midden de jaren 1930 was de beste tijd voor zangeressen voorbij en werd het de mode om mannelijke zangers te laten meezingen in dansorkesten.

 

Susana Rinaldi ( 25 december 1935 - nu)
Tekstvak:

Susana Rinaldi was in de jaren 1960-1970er heel populair. Ze kon heel precies zingen, zoals Frank Sinatra. En ze speelde ook in films. Ze heeft een tv talk show in Buenos Aires. Ze zong niet alleen klassiekers van de tango canción van Homero Manzi en Cátulo Castillo, maar zong ook werken van tijdgenoten, zoals Eladia Blázquez, María Elena Walsh en Hector Negro die hun liederen canciones urbanas noemden.

Tot slot nog iets passends van een man, van Villoldo. Hij schreef in 1905 “La morocha” voor de variétézangeres Lola Candales. Het moest een lied worden waar je geen aanstoot kon aan nemen, en hij gebruikte als thema de vrouwelijke onschuld van het platteland. Dus geen rauw lied zoals bij andere liedjes uit de beginjaren van de tango, maar een lied dat vrouwen van de burgerij konden meezingen zonder er zich voor te moeten schamen.

 


 
       
       
       
vorige